Trilby
van
George du Maurier

Gespeeld in de jaren twintig en vijftig van de twintigste eeuw


De meening over reinheid zal wel altijd bekrompen blijven, zoo goed als die over zedelijkheid. Ik zal de laatste zijn, om prostitutie te verdedigen, of liever, niet eens de laatste, want ik hoop ze nooit te verdedigen. Maar dat er bij prostituees vaak veel meer hóógere zedelijkheid voorkomt, dan bij zoogenaamde fatsoenlijke menschen, dat staat wel vast. Wie kent niet het aangrijpende Trilby van George du Maurier. Wat was Trilby? Een grisette. Een van die beklagenswaarde Parijsche meisjes, die hun heele - meestal kortstondige - leven doorbrengen als gezellin van dezen of dien student, van dezen of dien artiest. Dus een echt ‘onzedelijk wesen’ Zij gaf zich geheel aan haar tijdelijken minnaar. Naar de heerschende opvattingen dus een uitgeworpene, verbannen uit alle nette kringen. En laat ik nu even het aandoenlijke trekje herinneren, dat de schrijver ons aan 't slot van zijn boek verhaalt.

De arme lag op haar sterfbed, vroege prooi van de tering. En bij dat bed zat een bejaarde dame, die haar den overgang tot het volgend leven trachtte te verzachten. Want sterven moest ze, dat wist de matte lijderes zelve veel te goed. Vriendelijk onderhield haar de oude vrouw over 't leven, dat achter haar lag. En als vanzelf werd de vraag gesteld, of ze berouw had over iets van 't geen ze bedreven had. Berouw? Neen, ze herinnerde zich niet, in haar leven iemand met bewustheid leed te hebben berokkend. Of ja toch, eens, o ja, dat had haar altijd pijn gedaan, en ook nu nog sprongen de oogen vol tranen bij de herinnering aan die slechtheid. - Wat was dat dan, lieve? Vertel maar eerlijk op. - ‘Ik had mijn broertje beloofd, dat hij met me uit mocht gaan. En toen kwam er een rijtoer in den weg. We gingen met een klein gezelschapje uit rijden. En toen liet ik dat kind achter. O, ik zie hem nog staan met dat treurige gezichtje. Hij keek ons zoo droevig na. Hij had zoo op mijn woord gerekend. En den heelen rijtoer heb ik er berouw van gehad. En eigenlijk mijn heele leven. Want ik had dat arme kind bedrogen.’ En weer vloeiden haar oogen vol bij de gedachte aan de teleurstelling, toen dat broertje aangedaan, het broertje, dat zoo op haar vertrouwd had, en dat daar zoo zielig achterbleef.

Wie heeft niet de fijnheid van gevoel, de teerheid van geweten lief, die uit deze bekentenis spraken. Na zulk een biecht zijn we geneigd, om te zeggen: Neen arme zondares, gij hèbt niet gezondigd. En we fluisteren het aandoenlijk woord, dat de vroeggestorven Tine van Berken ons achterliet: ‘Er is maar één zonde: gebrek aan hart.’

Bron: Digitale Bibliotheek van de Nederlandse Letteren (Jan Ligthart)